MIJN EIGEN ZAAK IN MIJN EIGEN WOORDEN (4)

Door Ernest Louwes

 

 

4) Maandag 27 september 1999 – Afwikkeling van het overlijden

 

In de loop van deze 27e september  werd ik op kantoor gebeld door de politie met de mededeling dat mevrouw Wittenberg dood was en werd mij gevraagd of er iemand langs kon komen. Omdat ik het weekend in België was geweest, hadden zij mij niet eerder kunnen bereiken.Mijn eerste gedachte was dat zij zich zelf om het leven had gebracht; dit vanwege het in mijn ogen nogal vergaande dossier dat zij had samengesteld. Echter na de komst van de rechercheur vernam ik dat zij was vermoord. De man vertelde mij dat zij bij het doorzoeken van haar papieren het nieuwe testament hadden aangetroffen met daarin mijn naam als executeur-testamentair. Dit nieuwe testament bleek zij op 13 september – dus minder dan twee weken daarvoor – te hebben ondertekend. Na contacten met familie en vrienden had de voormalige huisvriend zich dat weekend al gemeld. Hij bleek in de veronderstelling te verkeren dat het oude testament nog steeds geldig was en dat hij dus de executeur zou zijn. De rechercheur vertelde mij dat het hem uiteraard bevreemdde dat er een nieuw testament was en dat de moord kort hierna had plaatsgevonden. Hij vroeg mij dan ook of ik iets kon vertellen omtrent de reden van de testamentwijziging. Ik heb hem grotendeels verteld hetgeen ik van mevrouw Wittenberg had vernomen en in het bijzonder omtrent de oorspronkelijke wens om hun vermogen te doen toekomen aan ex-psychiatrische patiënten. Verder heb ik hem verteld hetgeen ik van haar had vernomen omtrent de verslechterde relatie met de huisvriend en zijn familie. Naderhand  - na mijn aanhouding – heb ik in de vele verhoren van haar kennissen kunnen lezen dat zij hen ook uitgebreid over deze kwesties had verteld en dat alles dus feitelijk in ruime kring al bekend was. Tenslotte vroeg de man mij naar het laatste contact, waarop ik hem heb geantwoord dat ik haar de donderdag daarvoor in de loop van de avond had gebeld. Omtrent het tijdstip heb ik gezegd dat dit ergens om een uur of acht (20.00 uur) moest zijn geweest. Er werd mij niet naar een exact tijdstip gevraagd. Dit had ik op dat moment ook niet geweten. Toen de man vertrok spraken wij af dat wij elkaar wederzijds op de hoogte zouden houden van de komende gebeurtenissen.

Nu zal het volgende misschien wat vreemd op de lezer overkomen, maar nadat de rechercheur mij had gebeld, was één van de dingen die mij toen nogal bezighielden het feit dat ik besefte dat er in de komende dagen een groot aantal zaken geregeld moesten worden en dat ik daar eigenlijk helemaal geen tijd voor had. Eén van de eersten die ik erover aansprak was mijn kantoorhoofd, die mij gelukkig meedeelde dat hij een aantal zaken kon overnemen. Eén van de eerste personen die ik moest bellen was de begrafenisondernemer. Hiertoe kwam het dossier van mevrouw Wittenberg goed van pas, want zij had daarin zelfs de naam vermeld van degene die de uitvaart moest regelen. Nu bleek deze man afwezig te zijn, maar er zou een collega komen. Ik heb het kantoorhoofd gevraagd om bij dit onderhoud aanwezig te willen zijn omdat ik nu eenmaal niets van kerkelijke zaken wist. Wederom gelukkig maakte hij daar tijd voor vrij. Het onderhoud met de begrafenisondernemer vond nog die middag plaats. Nagenoeg alles met betrekking tot de uitvaart zou hij regelen, zo ook de kerkdienst. Ik kon hem uiteraard kopieën van de door mevrouw Wittenberg geschreven wensen meegeven, waaronder de tekst voor de preek. Ik meen dat ik mijn afspraken voor die dag naar de avond heb laten verplaatsen.

 

Nog diezelfde middag werd ik gebeld door de broer van mevrouw Wittenberg die vertelde dat hij de volgende dag met de huisvriend wilde langskomen.  Zoals afgesproken heb ik de politie van het komende gesprek in kennis gesteld.

De volgende dag kwam dus de broer, de huisvriend en (naar ik meen) een neef. De huisvriend, waar ik toch wel benieuwd naar was, was duidelijk aangeslagen en had grote moeite om zijn tranen te bedwingen; hij heeft niet veel gezegd want het spreken viel hem moeilijk. Voorzover ik mij herinner, heeft de neef in het geheel niets gezegd. De broer was eigenlijk de enige die het woord voerde.

Later heeft de broer mij in de media aangeduid als iemand die tijdens het onderhoud nogal koel en afstandelijk was en weinig vragen wilde beantwoorden. Nou, ik moet bekennen dat dit uiterlijk beeld best juist zal zijn geweest. Maar daar had ik wel mijn redenen voor, maar daar weet de broer niets van zodat ik hem die mening ook niet kwalijk kan nemen. Natuurlijk wilde hij graag weten wat er in het testament stond en was hij teleurgesteld dat ik daar niets over kon zeggen, vanwege de delicate verhoudingen en omdat de politie mij dit opgedragen had. Ik denk wel dat mijn houding wat beïnvloed was door de verhouding tussen zijn belangstelling voor de erfeniskwestie en zijn wel erg neutrale houding ten aanzien van het overlijden van zijn zuster, vooral gezien de reactie van de huisvriend, die erg aangeslagen was.

De broer heeft zich later via de media er over beklaagd dat hij slechts enkele waardeloze zaken uit de nalatenschap had ontvangen. Ja, dat is waar. In een later stadium heb ik de afhandeling van de boedel in handen gegeven van een veilinghuis dat samenwerkte met het notariaat. De persoonlijke zaken welke niet konden worden geveild, zijn door hen verzameld en deze zaken heb ik doen toekomen aan de familie van respectievelijk de heer en mevrouw Wittenberg. Op grond van de testamentaire bepalingen was de Dokter Wittenberg Stichting de enige erfgenaam/eigenaar van alle zaken en had ik aldus geen enkele wettelijke bevoegdheid om eigendommen van deze stichting aan een ander te doen toekomen. Had ik dat wel gedaan, dan had men mij daarvoor zelfs aansprakelijk kunnen stellen. Ik begrijp echter best dat dit voor een ander moeilijk te begrijpen is.

 

In de periode na de begrafenis ben ik gestart met de uitvoering van het testament. Zoals eerder vermeld was de stichting de enige erfgenaam, maar waren er daarnaast een aantal legaten; als ik mij goed herinner een stuk of twaalf. De legaten betroffen bedragen bestemd voor voormalige patiënten, familieleden van de heer Wittenberg en een tweetal goede doelen. Over de legaten moest uiteraard successierecht worden afgedragen, zo ook over de verkrijging van de stichting. Verder moest de inboedel van de woning worden verkocht waarna de woning kon worden overgedragen aan de verhuurder.

Zoals hiervoor al geschreven waren dit werkzaamheden waar ik in feite geen tijd voor had; ik had al werkweken van in ieder geval 60 uur en soms wel oplopend richting 80 uur. Mijn gedachte was om de testamentaire afwikkeling in het begin van 2000 af te ronden en mij dan vervolgens in februari/maart 2000 op de stichting te richten. Het eerste kwartaal van een jaar is het over het algemeen iets rustiger, maar vanaf april begint de aangifteperiode en stromen de administraties weer binnen.

In de tijd toen mevrouw Wittenberg mij over haar voorgenomen verhuizing vertelde, had zij ook over hun de loop der jaren verzamelde antiek verteld. Dit was voor hen ook een vorm van belegging geweest. Zij schatte de huidige waarde op zo’n 800.000 gulden. In verband met de toekomstige verhuizing heb ik toen wel de vraag geopperd of zij voldoende verzekerd was in geval van eventuele schade tijdens de verhuizing. Op haar verzoek heb ik dit laten nazien bij haar verzekeraar en het verzekerd bedrag bleek minder dan de helft te zijn, dus dik onderverzekerd. Ik heb haar toen geadviseerd om de inboedel te laten taxeren en aan de hand van een op te stellen taxatierapport de polis te laten aanpassen. Eén en ander speelde kort voor de moord en of zij nog actie in die richting heeft ondernomen is niet duidelijk geworden.

 

‘Echt’ antiek bleek nep

 

Ik schrijf dit in kader van een nogal opvallende kwestie. In de veronderstelling dat er sprake was van een aanzienlijke waarde aan antiek had ik contact gezocht met een expert van veilinghuis Christie’s. Omdat de politie in een bankkluis o.a. sieraden had aangetroffen, had ik met de expert een afspraak op het politiebureau te Deventer gemaakt waarbij hem tevens de aangetroffen sieraden werden getoond. Vervolgens ging er een rechercheur mee naar de woning om deze voor ons te openen. De expert hield het echter al spoedig voor gezien, want alle veronderstelde antieke voorwerpen bleken namelijk nep te zijn. Zo waren er klokken met een weliswaar antieke kast, maar het uurwerk bleek niet antiek. Omdat er nagenoeg geen stukken waren met een waarde per stuk van meer dan duizend gulden was de inboedel voor Christie’s niet interessant. Alvorens de expert vertrok bracht hij mij in contact met een veilingmeester van een door het notariaat opgezette organisatie welke, ongeacht de waarde, ervoor zorgt dat boedels te gelde worden gemaakt. Deze man kwam nog dezelfde dag en met hem heb ik afgesproken dat hij voor de gehele boedel zou zorgdragen. Hij zou ervoor zorgen dat de woning schoon werd opgeleverd, zodat ik daar verder geen omkijken naar had.

Het vermeende antiek hadden de Wittenbergs in de loop der jaren aangeschaft via een voormalige patiënt. Die dag merkte ook de rechercheur nog op dat het op zich nogal sneu was dat de mensen dus achteraf door die ex-patiënt gigantisch in de maling bleken te zijn genomen. Overigens bleek deze voormalige patiënt in het eerste testament als legataris te zijn opgenomen, maar stond hij in het nieuwe testament niet meer vermeld.

’s Ochtends had ik op het bureau de sleutels gekregen van de bankkluis omdat de politie daarin ook nog een geldbedrag had aangetroffen. Ik heb hiertoe een bankrekening geopend. Het geld heb ik die dag uit de kluis gehaald en nog deze dag op deze rekening gestort.

 

De zakelijke rekeningmet het geld uit de kluis

 

Het openen van deze rekening was ook nog een kwestie welke naderhand een rol heeft gespeeld. Ik wist dat advocaten en notarissen zogenaamde derden-rekeningen hebben waarover geldzaken van cliënten lopen. Ik had gekozen voor de bank waar mijn werkgever mee samenwerkte. Ik kwam daar dus aan de balie met de bedoeling om zo’n derden-rekening te openen. Toen ik vertelde dat de rekening bedoeld was voor gelden van een overleden cliënt, vroeg de bankmedewerkster of ik advocaat of notaris was en of ik een uittreksel van het Handelsregister bij mij had. Ik antwoordde haar dat ik geen zelfstandig ondernemer was, maar in loondienst werkzaam en ik dus niets met het Handelsregister te maken had.

Zij vertelde mij dat een derden-rekening een zogenaamde zakelijke rekening was en dat daarvoor toch echt een uittreksel nodig was. Op mijn verzoek heeft zij nog navraag gedaan bij een andere bankmedewerker, maar deze bevestigde haar standpunt. Het feit dat het niet mogelijk bleek om een bankrekening te openen, irriteerde mij enigszins. Achteraf besefte ik ook wel dat dit mede met mijn eigen onkunde te maken had; ik wist voordien namelijk niet dat voor een zakelijke rekening een uittreksel van het Handelsregister vereist was. Ik had nog nooit met zo’n kwestie te maken gehad.

Het ging om een bedrag van 20.000 gulden en ik had geen zin om zo’n bedrag mee naar huis te nemen. De medewerkster adviseerde mij toen om een rekening op mijn eigen naam te openen, maar ik vertelde haar dat ik dat wat vreemd vond omdat het andermans geld betrof. Uiteindelijk stelde zij toen voor om een zogenaamde ‘beheerrekening’ te openen. Dit was weliswaar een rekening met mijn naam, maar waar het woord ‘beheerrekening’ op vermeld stond. Dit vond ik een goede oplossing, want dit leek mij toch bijna zoiets als hetgeen ik had bedoeld. Zo is de rekening dan ook geopend, met de duidelijk vermelding dat het een beheerrekening betrof. Het geld heb ik hier vervolgens op gestort.

Omdat de oplossing nogal enige tijd had geduurd, heb ik er onderwijl nog even aan gedacht om het geld tijdelijk op mijn eigen postgiro te storten. Gelukkig heb ik dat niet gedaan want dat had later ongetwijfeld tot onbegrip bij de politie geleid, maar formeel was ik daartoe gerechtigd geweest omdat ik als executeur op grond van de inhoud van de zgn. verklaring van executele alles inzake de nalatenschap onder mij had kunnen nemen. Pas in 2004 zou een altijd door de politie achtergehouden verklaring opduiken waarin de bankmedewerkster de gang van zaken, exact als hiervoor beschreven, verklaarde.

Nadat ik toestemming had verkregen van de politie, ben ik gestart met het aanschrijving van de legatarissen inzake het bedrag dat hen op grond van het testament toekwam. Voor één van hen (een ex-patiënt) heb ik – na eerst een oproep in een landelijk dagblad te hebben laten plaatsen - de politie nog om hulp moeten vagen omdat deze man niet traceerbaar was en de oproep niet tot een reactie had geleid. Via de politie heb ik toen zijn adres gekregen.

In die periode werd ik ook nog een keer gebeld uit Luxemburg door de rechercheur waar ik steeds contact mee had. Ik was op dat moment onderweg. De recherche had ontdekt dat de Wittenbergs een geheime bankrekening in Luxemburg hadden. Ik hoorde dit nu voor het eerst, want de zij hadden mij daar nooit iets over verteld. Alhoewel het ongebruikelijk was, vroeg de rechercheur mij of ik per telefoon toestemming wilde geven om de bankgegevens te mogen inzien. Ik meen dat ik toen een bankdirecteur aan de lijn kreeg en ik bevestigde dat ik daar geen bezwaar tegen had. Pas later vernam ik dat er op dat moment  geen saldo meer op de rekening stond. Na het overlijden van haar man bleek mevrouw Wittenberg met een ex-patiënt naar Luxemburg te zijn gegaan om de rekening leeg te halen. Het laatste toen in contanten opgenomen bedrag was 60.000 gulden geweest. Volgens de ex-patiënt had zij dit thuis bewaard, maar na de moord is dit geld niet in haar woning gevonden. In haar woning was slechts 3.000 gulden aangetroffen en in de kluis van haar bank in Deventer 17.000 gulden. (Dat was de 20.000 welke ik op de geopende bankrekening had afgestort.) Die kwestie is dus altijd nogal vaag gebleven. Het kan natuurlijk zijn dat zij van dat bedrag de 14.000 voor het paard had betaald, maar dan nog blijft er een verschil over.