MIJN EIGEN ZAAK IN MIJN EIGEN WOORDEN

Door Ernest Louwes

 

 

2) Voorjaar 1999: Stichting wordt opgericht; de testamentkwesties

 

Toen ik in het voorjaar 1999 de papieren kwam ophalen teneinde de belastingaangifte over 1998 te verzorgen, wilde zij iets met mij bespreken. Zij was kort daarvoor bij een bankadviseur geweest die zij en haar man al jaren kenden. Zij had met hem besproken dat het altijd de wens van haar en haar man was geweest, dat na hun beider overlijden hun vermogen zou worden bestemd voor de tijdelijke opvang van uitbehandelde psychiatrische patiënten die na hun behandeling tussen wal en schip dreigden te vallen.

De bankadviseur had haar geadviseerd om hierover contact op te nemen met haar belastingadviseur. Blijkbaar hadden zij toch wat nader over het onderwerp gesproken want zij vertelde mij dat de bankman had gesproken over de mogelijkheid van een stichting waarbinnen zo’n doel zou kunnen worden gerealiseerd.

Nu wist ik daar wel iets van, maar aangezien mij een dergelijke vraag in mijn cliëntenbestand bij die toenmalige werkgever nog nooit was gesteld, is het de praktijk om wat algemeenheden omtrent de mogelijkheden, waaronder een stichting, te vertellen en toe te zeggen dat je je in die ‘specifieke kwestie nader zal verdiepen’ en er dan zo spoedig mogelijk op zal terugkomen. In dit geval spraken wij af dat wij het nader zouden bespreken wanneer ik weer langs zou komen om de aangifte door te nemen.

In de serie ‘Belastingwijzers’ bestaat een boekje over de stichting waar je al dergelijke informatie kunt vinden. Met deze kennis en de ingevulde aangifte bezocht ik haar nadien. Ik vertelde haar over de mogelijkheid om bij testament te bepalen dat er op het moment van overlijden een stichting kan worden opgericht waaraan een vermogen kan worden nagelaten waarmee een gewenst doel zal worden verwezenlijkt.

Zij vertelde mij toen dat zij reeds een testament had laten opmaken. Uit de wat teleurgestelde manier waarop zij dit zei, begreep ik dat zij dacht dat een eenmaal opgemaakt testament iets definitiefs was.

Toen ik had uitgelegd dat niet het geval was en dat je een testament kon intrekken, veranderen en dat in feite een nieuw testament het vorige teniet deed, was zij zichtbaar opgelucht. Toen ook nog ter sprake kwam dat een stichting een naam droeg en ik hierbij opperde dat dit bijvoorbeeld ‘De Wittenberg Stichting’ zou kunnen zijn, zei zij meteen dat die naam dan de ‘Dokter Wittenberg Stichting’ moest worden. Op dat soort momenten werd zij over-enthousiast en leek haar verdriet even te vergeten en uitte zij zich op een wijze alsof zij in der veronderstelling verkeerde dat zoiets dezelfde dag nog geregeld kon worden.

Ik heb haar uitgelegd dat er alvorens een dergelijk testament te laten opmaken toch eerst de nodige overwegingen en beslissingen nodig zouden zijn.

Het zal tijdens datzelfde gesprek zijn geweest dat zij mij vertelde hoe het bestaande testament tot stand was gekomen.Toen de heer Wittenberg overleed, was er geen testament. Dat was in feite ook niet nodig want zijn vrouw was wettelijk toch de enige erfgenaam. Eigenlijk al in de eerste dagen na zijn overlijden, realiseerde zij zich dat indien zij zou overlijden dat dan ook haar familie (broer, zuster en moeder) zouden erven. Omdat zij al langere tijd met hen in onmin leefde, wilde zij dit niet. Deze gedachte werd nog versterkt doordat er na de begrafenis van haar man enige incidenten waren geweest rond de erfenis.

Zij heeft toen een goede huisvriend om advies gevraagd. Deze adviseerde haar om een testament te laten opstellen, zodat haar familie buiten de erfenis zou blijven. Zoals zij mij vertelde heeft zij een en ander grotendeels aan die huisvriend overgelaten. Zij heeft wel een aantal personen genoemd die middels een legaat een bedrag zouden krijgen. Dit waren een aantal ex-patiënten die nog steeds over de vloer kwamen en een aantal familieleden van haar man. Buiten deze legaten zou het hele vermogen na haar overlijden toekomen aan de huisvriend en zijn dochter; de begunstiging op de bestaande levensverzekering werd ook overgeschreven op de dochter.

Dit kind speelde een nogal belangrijke rol in het geheel. Omdat de Wittenbergs kinderloos waren, was dit kind van de huisvriend een soort oogappel van hen geworden. Nog tijdens het leven van de heer Wittenberg kwamen de huisvriend, zijn echtgenote en hun dochter regelmatig op bezoek.

Na het overlijden van haar man verwaterde de relatie echter. Ik begreep dat er verschil van inzicht over geld geweest was, maar dat ook het overheersende karakter van haar verdriet hierbij een rol gespeeld zou kunnen hebben. Hoe het precies zat was eigenlijk mijn zaak niet, voor mij relevant was dat zij besloten had dat de stichting nu de enige erfgenaam zou worden. In de bestaande legaten wilde zij ook een aantal andere wijzingen aanbrengen. Ik had uiteraard nog meer cliënten die dag en omdat ik het testament voor het eerst inzag terwijl zij probeerde om mij allerlei wijzigingen duidelijk te maken, stelde ik haar voor dat zij al hetgeen zij wilde op papier zou zetten en dat zij mij zou bellen als zij daarmee gereed was.

Dat telefoontje liet niet lang op zich wachten, zodat ik niet lang nadien weer bij haar zat. 

Bij successierechten had zij nog nooit stilgestaan, maar toen ik haar daar over vertelde leidde dat nog tot een hele rekenexercitie om de legaten qua successierecht te optimaliseren, met het uiteindelijk doel om zoveel mogelijk aan het stichtingsdoel over te laten. Verder stond in het testament de huisvriend als executeur-testamentair vermeld. Vanwege de inmiddels slechte relatie wilde zij dit eigenlijk niet meer.

Nu had zij inmiddels ook verteld over haar voornemen om te verhuizen. Aan de rand van het centrum zouden aan de IJssel een aantal luxe koopflats worden gebouwd. Zij zou de flat geheel uit haar vermogen kunnen betalen. Ik adviseerde haar bestaande, tamelijk risicovolle beleggingen op te heffen, en de flat niet via een hypotheek te financieren. Dit was de oplossing met de minste risico’s.

Uiteindelijk vroeg zij voorzichtig of ik als executeur zou willen fungeren. Alhoewel ik het opvallend vond dat zij mij hiervoor vroeg (blijkbaar had zij weinig vrienden en kennissen), voelde ik mij op dat moment toch enigszins vereerd dat zij dit aan mij vroeg; het getuigt toch van vertrouwen dat iemand in je stelt. Ik had wel reserves. Ik had met dergelijke zaken geen ervaring. Bovendien wist ik dat zij gelovig was, terwijl ik daar weinig zicht op heb. Aan de andere kant was zij pas 59 jaar en ik meende dat haar moeder al in de negentig was. Mede, en misschien wel voornamelijk, omdat het mij altijd moeilijk valt om iemand iets te weigeren en omdat ik er vanuit ging dat het een zaak zou zijn welke pas in de verre toekomst zou spelen, heb ik bevestigend geantwoord. Omdat het natuurlijk mogelijk zou zijn dat ik eerder zou overlijden, moest er nog een opvolgend executeur gevonden worden. Uiteindelijk heb ik haar voorgesteld om daarvoor mijn kantoorhoofd daarvoor op te nemen. Die was jonger dan ik en ik kon haar verzekeren dat dit een serieus persoon was. Zij ging hiermee akkoord.

Het zal naar aanleiding van het voorgaande zijn geweest dat zij mij vroeg of ik er dan ook voor zou zorgen dat alles omtrent de stichting zou worden geregeld, dit zegde ik haar toe. Ik had een kopie van het eerste testament meegenomen om aan de hand daarvan een brief voor de notaris op te stellen.

Ik heb nog contact met de notaris gehad inzake de stichting, hij zou standaard statutaire bepalingen in het testament verwerken. Zelf had ik nog in de belastinggids “Erven en Schenken’ gekeken hoe ik mijn rol moest omschrijven. Ik begreep daaruit dat ik alles aangaande de stichting zou kunnen regelen vanuit de functie van bewindvoerder. Dit heb ik ook in de brief aan de notaris aldus verwoord. Nog diezelfde week werd ik door de notaris gebeld en die vertelde mij dat in dit geval bewindvoering niet mogelijk was en  dat ik – gezien de bedoeling van mevrouw Wittenberg – in het testament zou moeten worden benoemd als eerste voorzitter. Vanwege mijn komende vakantie heb ik hem gevraagd om dit zelf met mevrouw Wittenberg op te nemen, hetgeen is gebeurd en aldus in het testament verwoord.

Ik was vier weken op vakantie geweest en eind augustus was ik weer terug op kantoor. Tijdens de vakantie had de notaris een concept verzonden. Mijn kantoorhoofd had het nagezien en akkoord bevonden. Naar mijn mening was de inhoud van mijn brief er ook goed in verwerkt. Nog in mijn eerste week belde mevrouw Wittenberg. Uiteraard had zij ook een concept ontvangen en had een aantal taalfouten in de tekst ontdekt. Bovendien deelde zij mij mee dat zij tijdens mijn vakantie hard aan het werk was geweest en een ‘dossier’ had samengesteld waarvan zij graag had dat dit bij ons op kantoor in de kluis diende te worden bewaard. Dat wij geen kluis hadden en dat cliëntgegevens gewoon in een ladenkast of hooguit een archief werden bewaard, liet ik maar in het midden. Kort daarna bezocht ik haar weer. De fouten in het concept heb ik telefonisch aan de notaris doorgegeven. Zij maakte mij er ook attent op dat zij nog niets van de verzekeraar had gehoord. Ik moet bekennen dat ik deze kwestie geheel was vergeten. Reeds voor mijn vakantie had ik haar beloofd dat ik een brief zou opstellen voor de verzekeraar waar haar levensverzekering liep teneinde de begunstiging te wijzigen. In plaats van de dochter van de huisvriend diende de toekomstige stichting als begunstigde te worden opgenomen. Ik zegde haar toe om daar op korte termijn voor te zorgen.

Vervolgens kwam er een (als ik mij goed herinner) oranje dossiermap op tafel waarin zij allerlei documenten had verzameld, welke naar haar mening van belang waren voor een executeur in geval van haar overlijden. Nu is het uiteraard voor een executeur zeer handig om een naam- en adreslijst te hebben van personen die na iemands overlijden moeten worden aangeschreven. Nou, zo’n lijst had zij opgesteld, maar er was nog veel meer. Naast een aantal officiële documenten zat er een heel pakket handgeschreven papieren bij inhoudende hetgeen zij wilde dat er na haar overlijden diende te gebeuren, zoals de tekst van de rouwkaart, de bloemen alsmede de winkel die de bloemen moest verzorgen, de zaak waar de letters op de grafsteen moesten worden gemaakt en zelfs had zij de tekst geschreven die de pastoor moest voordragen tijdens de uitvaartplechtigheid.  Alles zodanig tot in detail dat het wat bizar op mij overkwam voor iemand die nog gezond van lijf en leden was. Ik kreeg ook een huissleutel welke ik op kantoor met plakband op de binnenzijde van de dossiermap heb geplakt. Zij vertelde dat er nog een aantal documenten aan het ‘dossier’ ontbraken, maar zij zou mij bellen als zij die had ontvangen. Ik beloofde haar dat ik alles in de ‘kluis’ zou bewaren. Op kantoor toonde ik de stukken aan het kantoorhoofd die nog opmerkte: “zij is toch niet levensmoe?”.

Enige tijd daarna belde zij mij en vertelde dat zij een document had ontvangen dat ook in het dossier hoorde en vroeg of ik het langs wilde halen als ik in de buurt was. Ik vertelde dat ik haar dan van te voren zou bellen.